Aanroepingen, sjeikfamilies en een beschreven heiligdombezoek verbinden landbouw, heilige plaatsen en persoonlijke devotie.

Bewerkte stenen ingang van de hoofdtempelhof in Lalish, omlijst door een boom, bladeren en een ongelijk stenen pad
Ingang van de hoofdtempelhof, september 2017; foto Levi Clancy, context van jezidische pelgrimage. Levi Clancy · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons.

Naam en wind

Musa Sor verschijnt ook als Mûsê Sor en Şêx Mûs; sor betekent rood. Asatrian en Arakelova verbinden hem met wind en lucht en duiden de kleur als uitdrukking van heiligheid. De overlevering beschrijft religieuze rollen zonder een zeker gedateerde levensloop te geven. [1]

Wannen en families

De opgetekende aanroeping vraagt harde wind en belooft gebakken broden. Bij wannen scheidt wind het lichte kaf van het graan. De auteurs noemen voedseloffers bij akkers en de Adani-sjeiklijn Ojaxa Sore Soran. Daaraan werden genezende krachten voor longen, gewrichten en reuma toegeschreven. [1]

Sitt Gulés uitleg

Drower beschrijft in 1941 een bezoek met Sitt Gulé tussen Bashiqa en Bahzané: een grote steen in een lage omheining met gebroken vaatwerk. Gulé herkent Mus-as-Sors mazar en licht devotioneel gebruik van water en aarde bij huidaandoeningen toe. Het betreft een historisch bezoek. [2]

Persoonlijk gebed

Cindîs verzameling uit 1997 noemt Musê Sor als xudan van de spreker in de Şehda Dînî voor het slapen. Voetnoot 23 zegt dat ieder de eigen patroon noemt. De passage illustreert persoonlijke religieuze relaties en verplicht de gemeenschap niet tot één gezamenlijke patroon. [3]

Bronnen en verder lezen

  1. Garnik Asatrian and Victoria Arakelova, “The Yezidi Pantheon,” Iran & the Caucasus 8/2 (2004), pp. 231–279, especially pp. 242–244: wind invocation, offerings and Sheikh lineages.
  2. E. S. Drower, Peacock Angel, John Murray (1941), pp. 56–57: firsthand visit and Sitt Gulé’s explanation of the shrine; electronic transcription at Avesta.org.
  3. Xelîl Cindî, Du’a u Dirozên Êzidîyan, Einbeck (1997), p. 27, Şehda Dînî, especially notes 21–23: reciter-specific religious relationships.